Home / Artikelen / Omgaan met tegenslag / Luciano Narsingh schaamt zich niet voor gesprekken met psycholoog: ‘Ik voelde me na zo’n gesprek met de sportpsycholoog altijd lekkerder’
Luciano Narsingh schaamt zich niet voor gesprekken met psycholoog: ‘Ik voelde me na zo’n gesprek met de sportpsycholoog altijd lekkerder’
01 oktober 2014

Luciano Narsingh (24) had liefst twintig maanden nodig om na een kruisbandblessure weer op niveau te komen. Trainer Phillip Cocu, Guus Hiddink, een sportpsycholoog, Louis van Gaal en moeder Narsingh hielpen hem uit het dal. ‘Ik heb me heel lang niet gelukkig gevoeld.’

 

Voetbal International

 

 

Je speelt weer, je bent weer international. Luciano Narsingh is terug.

‘Na een heel zware periode ben ik er weer. Ik was vrij snel, binnen tien maanden, weer fit   nadat ik in december 2012 mijn kruisbanden had afgescheurd. Maar daarna duurde het erg lang  allemaal. Ik heb een dipje gehad.’

 

Dipje? Dat was een enorme dip, toch?

‘Ja, dat klopt. Fit worden na een zware blessure is pas het eerste gedeelte. Vaak heb je een net zo lange tijd nodig om weer helemaal de oude te worden. Ik ben daar het levende bewijs van. Het heeft twintig maanden geduurd voordat ik weer alles voluit durfde te doen. Ik was het vertrouwen in mijn lichaam eigenlijk helemaal kwijt. Een heel vreemd gevoel.’

 

Waaruit bleek dat?

‘Uit vele dingen. De manier waarop ik een duel aanging. Als er een bal tussen mij en de verdediger viel, dan hield ik in. Kopduels ging ik bijna helemaal niet aan, omdat ik bang was dat het mis zou gaan bij het landen. Maar vooral het sprinten, dat voelde heel anders dan voor mijn blessure. Na mijn revalidatie dacht ik: Oké, ik ben klaar en kan weer voetballen. Ik kon wel weer  voetballen, maar ik was helemaal niet vrij in mijn hoofd. Ik dacht na bij iedere beweging die ik maakte. De knie bleef daarnaast ook best lang dik, er kwam telkens weer vocht in. Daar had ik fysiek last van, kon daardoor niet zonder pijn sprinten. Als ik na een uur op de bank zitten ging warmlopen, dan was m’n knie stijf. Dat maakte invallen nog lastiger dan het normaal gesproken al is. En daarom zat er een soort rem op. Ik was aan het nadenken tijdens het sprinten. Dat is natuurlijk niet goed. Het was moeilijk om dat uit m’n hoofd te krijgen, maar de trainer en de fysio hebben me goed geholpen.’

 

Jouw probleem was deels mentaal. Heb je ook met sportpsycholoog Lotte Isbouts gesproken over je probleem?

‘Ik heb een paar keer met haar gesproken. In eerste instantie waren dat de reguliere gesprekken over het team, maar later hebben we ook wat meer over mijn persoonlijke situatie gesproken. Dat was op mijn verzoek, volgens mij heb ik vier keer met haar gezeten.’

 

Kun je wat details vertellen over de inhoud?

‘Ik speelde natuurlijk niet altijd en dat is nooit leuk. Ik sprak met haar over geduldig zijn, focussen op het moment dat de kans komt en over het vertrouwen in mijn lichaam.’

 

Wat voor uitwerking had zo’n gesprek?

‘Ik voelde me na zo’n gesprek altijd lekkerder. Het was een heel lastige situatie waar ik in zat en de gesprekken met haar hebben deels bijgedragen aan mijn terugkeer op dit niveau.’

 

Was het alleen maar praten of komen er ook bepaalde oefeningen bij kijken?

‘Met een van de collega’s van de sportpsycholoog heb ik testen voor het vergroten van je reactiesnelheid gedaan. Op de een of andere manier zorgde deze aanpak voor rust in mijn hoofd. Het te graag willen waar ik last van had, verdween door die gesprekken. Er ontstond rust.

 

Het was voor het eerst dat er door PSV een sportpsycholoog aan de spelers van de  A-selectie werd ‘aangeboden’. Hoe werd er  in de kleedkamer tegenaan gekeken dat jij daarvan gebruikmaakte?

‘Tja... Er is eigenlijk niet over gesproken. Ik denk dat de spelers beseffen dat zoiets puur persoonlijk is. De een heeft er wel iets mee, de ander niet. En dan laat je elkaar in je waarde. Ik heb er eigenlijk met bijna niemand over gesproken, besef ik nu ik er over nadenk. Niet dat het een geheim is hoor, ik schaam me er totaal niet voor. Mijn zaakwaarnemer Mino Raiola vond het een goede optie om dit eens te proberen en achteraf kan ik hem alleen maar gelijk geven. Ik ben nu weer vrij in mijn hoofd. Maar het blijft natuurlijk iets wat je niet kunt opleggen. Ik vind dat je er als sporter gebruik van moet maken als je het nodig hebt, maar dan moet je er voor openstaan. In mijn geval was dat omdat ik merkte dat er iets was wat mij blokkeerde, als gevolg van die blessure. Ik denk dat ik niet naar haar toe was gestapt als ik mijn kruisband niet had afgescheurd.’

 

Als je de waarde van deze gesprekken moet vertalen in procenten van het totale revalidatieproces, hoe is dan de verhouding?

‘Revalideren is grotendeels fysiek keihard werken. Dat moet je zelf doen, met behulp van de fysiotherapeut. Ik denk dat die gesprekken met de sportpsycholoog me het laatste zetje hebben gegeven, zo moet je het zien. Hoe groot het aandeel dan is geweest? Tien procent, schat ik.’

 

Jij bent geen vaste klant geworden.

‘Ik heb haar dit seizoen nog niet gezien. Ik was door die blessure getraumatiseerd, zo noemen ze dat. Op zo’n moment kan dit een hulpmiddel zijn, zo heb ik ervaren. Ik ben als voetballer opgegroeid zonder mentale begeleiding. Toen ik in de jeugd speelde, was zoiets er nog helemaal niet. Ik vind het goed dat wij nu de optie hebben om naar zo iemand toe te stappen, maar het gaat te ver om  te zeggen dat ik het voorheen gemist heb. Mijn ouders waren altijd mijn mental coaches. Met hen ben ik ook vorig jaar blijven praten over wat er aan de hand was, hoe ik me voelde. En met Guus Hiddink, die ons na de winterstop een paar maandjes kwam helpen, heb ik er ook over gesproken. Net als met technisch manager Marcel Brands.

 

Als je zo lang sukkelt, wat doet dat met een voetballer?

‘Ik heb me heel lang niet gelukkig gevoeld. Dat zien mensen niet aan me, omdat ik veel lach.  Ze denken dat ik altijd vrolijk ben, maar dat is natuurlijk niet zo. Een voetballer die niet helemaal fit is en weinig speelt, is niet altijd vrolijk. Ik heb daar wel mee gezeten, ja. Ik ben een gevoelsmens, maar dat zien mensen niet altijd aan me.’

 

Aan wie toon jij je gevoelens?

‘Aan mijn moeder. Ma, wat is er aan de hand? Ik voel me niet hetzelfde als vóór mijn blessure. Mijn acties voelen anders, ik ben minder snel. Wat is dat? Ze wees me erop dat ik geduldig moest zijn, dat ik niet moest vergeten dat het een zware blessure was. Ze luisterde naar me, probeerde me gerust te stellen. Ook aan mijn broer, vader, vriendin en echte vrienden heb ik heel veel steun gehad.’

facebook twitter